Met 4DX van onderwijsambities naar concrete onderwijsverbetering

Je kent het vast. Tijdens een studiedag of bij de koffiemachine raak je met collega’s in gesprek over het onderwijs dat je leerlingen gunt: meer leesbegrip, feedback waarmee leerlingen verder kunnen en kinderen die hun denken leren verwoorden. Je wisselt ideeën uit, maakt enthousiast de eerste afspraken en gaat met nieuwe energie naar huis: hier gaan we iets mee doen.

Een paar weken later heb je heel wat lessen gegeven, toetsen nagekeken, ouders gesproken en leerlinggesprekken gevoerd. Tussendoor hielp je een startende collega of nam je een groep over. Maar hoe is het eigenlijk met die afspraak van de studiedag bij die koffiemachine? Die is mogelijk alweer naar de achtergrond verdwenen.

Hoe zorg je dat een goed voornemen terugkomt in je lessen, je overleg en je planning? De vier disciplines van uitvoering (4DX), ontwikkeld door Sean Covey, Chris McChesney en Jim Huling, bieden praktische houvast. Ze verbinden vier dingen: samen kiezen, gericht handelen, voortgang zichtbaar maken en elkaar blijven opzoeken.

De wervelwind van alledag: hoe houd je samen koers?

Binnen 4DX heet de dagelijkse drukte de wervelwind. Een leerling komt overstuur binnen, de instructie vraagt meer tijd dan gedacht, een ouder staat aan de deur en de themastart moet nog worden voorbereid. Voor je het weet, ziet je dag er anders uit dan je had bedacht. En al die zaken vragen aandacht. Ondertussen schuift de onderwijsverbetering waar je zo enthousiast over was weer een week op.

Voor mij raken de vier disciplines van uitvoering aan een belangrijke vraag: hoe blijven we werken aan wat we samen belangrijk vinden, wanneer er iedere dag zoveel tussendoor komt? Het antwoord ligt in de samenhang tussen de vier disciplines. Door ze als één geheel toe te passen, houd je als team de regie op het doel dat jullie samen willen bereiken.

Discipline 1. Kies wat nu echt belangrijk is

‘We gaan de basisvaardigheden versterken.’, heb je met het hele team afgesproken. Een begrijpelijke ambitie. Maar wat betekent dat in de praktijk voor jouw les? De eerste discipline vraagt om kiezen: één waanzinnig belangrijk doel, een WBD. Welke verbetering verdient de komende periode onze gezamenlijke aandacht?

Stel: in groep 7 zie je dat leerlingen antwoorden geven, bijvoorbeeld bij wereldoriëntatie, zonder uit te leggen waarop ze die baseren. In de brugklas herken je mogelijk hetzelfde bij geschiedenis of biologie. Leerlingen schrijven iets op, maar gebruiken de tekst nauwelijks om hun antwoord te onderbouwen.

Een doel kan dan zijn: vóór juni stijgt het aandeel leerlingen dat een antwoord met passende tekstinformatie onderbouwt van 45 naar 70 procent. De cijfers zijn uiteraard een voorbeeld; je eigen beginsituatie bepaalt een passende ambitie.

Spreek ook af hoe je dat beoordeelt. Welke leerlingantwoorden vinden jullie voldoende onderbouwd? Door samen voorbeelden te bekijken, krijgt het doel betekenis voor de lespraktijk.

Discipline 2. Spreek af wat je daarvoor gaat doen

Vervolgens komt de vraag: welk handelen van ons helpt leerlingen om die stap te zetten?

4DX maakt onderscheid tussen resultaatmetingen en gedragsmetingen. Resultaatmetingen laten zien wat is bereikt. Gedragsmetingen volgen activiteiten die je zelf kunt beïnvloeden en waarvan je verwacht dat ze bijdragen aan het doel.

Bij ons voorbeeld kun je afspreken: tweemaal per week laten we leerlingen een antwoord onderbouwen met tekstbewijs en geven we daarop gerichte feedback. Spreek ook af bij welke vakken je dit gaat doen. In groep 7 kan dat bij bijvoorbeeld bij wereldoriëntatie, in het voortgezet onderwijs bij een aantal gekozen vakken. Zo baken je af waar je de aanpak inzet en de voortgang volgt.

Bespreek vooraf met elkaar hoe je dit het beste kunt aanpakken. Welke aanpak helpt leerlingen om hun antwoorden beter te onderbouwen? Hoe laat je zien hoe je bewijs zoekt? Wat vraag je wanneer een leerling zomaar een zin overschrijft zonder verdere onderbouwing?

Daar zit het professionele gesprek. Door samen te onderzoeken welke aanpak het meest kansrijk is, maak je van een afspraak een concrete werkwijze. Vervolgens probeer je die uit, bekijk je samen het leerlingwerk en onderzoek je of leerlingen er beter door leren.

 

Discipline 3. Maak zichtbaar hoe het gaat

Na een paar weken wil je weten: lukt het om onze afspraak uit te voeren? En wat zien we bij leerlingen? Een eenvoudig scorebord helpt daarbij. Denk aan een overzicht waarop je wekelijks bijhoudt hoe vaak de afgesproken activiteit is uitgevoerd. Op vaste momenten voeg je resultaten uit leerlingwerk toe.

Maak dat overzicht samen en houd het overzichtelijk. Het moet snel laten zien waar jullie als team staan en wat aandacht vraagt. Dus houdt het simpel. Misschien past het in een bordsessie die jullie al hebben.

Pak het leerlingwerk erbij. Drie door leerlingen gegeven antwoorden kunnen al een goed gesprek opleveren: wat gaat beter? Waar lopen leerlingen vast? Wat vraagt dat van onze uitleg? Zo krijgt de voortgang betekenis voor je volgende les.

Discipline 4. Zoek elkaar iedere week kort op

De vierde discipline houdt de andere drie gaande: een kort, wekelijks gesprek over afspraken, voortgang en volgende stappen. Die vaste cadans hoort bij 4DX. Drie vragen geven hierbij houvast:

  • Wat had ik afgesproken en wat heb ik gedaan?
  • Wat zien we bij leerlingen en wat leren we daarvan?
  • Welke concrete stap zet ik komende week?

Daarbij moet ook ruimte zijn om aan te geven wat niet goed ging. Bijvoorbeeld: ‘Het lukte niet’ of ‘Mijn leerlingen begrepen de opdracht onvoldoende.’ Juist dan kun je elkaar verder helpen. Een collega denkt mee, de kwaliteitscoördinator helpt bij het duiden van leerlingwerk en de schoolleider maakt ruimte of neemt een belemmering weg.

Samen uitvoeren is ook samen leren

Wat mij hierbij aanspreekt, is dat 4DX een gezamenlijke ambitie verbindt aan terugkerend handelen in de klas. Dat sluit aan bij de visie van onderwijsonderzoekers Marco Kools en Louise Stoll die in hun onderzoek teamleren, onderzoek en kennisuitwisseling beschrijven als onderdelen van een lerende school.

Ook de leidraden Werken aan onderwijsverbetering, beschikbaar via het NKO, benadrukken gezamenlijke prioriteiten, een onderbouwde aanpak en het volgen en bijstellen van de uitvoering. Dat biedt aanknopingspunten voor werken met 4DX.

Vijf tips om morgen samen te beginnen met 4DX én de wervelwind buiten de duur te houden:

  1. Begin bij je leerlingen
    Leg leerlingwerk en observaties naast elkaar. Welke ontwikkeling verdient nu aandacht?

  2. Kies één doel met één team
    Begin met je parallelcollega, bouw of vaksectie en plan een eerste werkperiode.

  3. Maak je handelen concreet
    Kies maximaal twee activiteiten en bespreek hoe goede uitvoering eruitziet.

  4. Houd registratie eenvoudig
    Benut bestaande informatie en neem leerlingwerk mee naar het overleg.

  5. Bescherm het wekelijkse gesprek
    Reserveer twintig minuten en spreek af wat ieder de komende week bijdraagt.

Je hoeft niet te wachten op een nieuw schooljaar of de volgende studiedag om te starten met 4DX. Kies samen één verbetering en begin. Houd die klein genoeg om vol te houden en belangrijk genoeg om tijd voor te maken. Wanneer je in het werk van leerlingen ziet wat jullie inspanningen opleveren, geeft dat energie. Dan ervaar je samen: hier hebben we invloed op.

Verder verdiepen

Wil je meer weten over 4DX en een lerende organisatie? Neem dan vrijblijvend contact met mijop om de mogelijkheden te bespreken. Of…

Over de auteur

Jaap ter Steege

Jaap ter Steege is adviseur en trainer bij CPS. Hij ondersteunt scholen bij vraagstukken over (persoonlijk) leiderschap en schoolontwikkeling en is o.a. gespecialiseerd in curriculumontwikkeling en Covey voor het onderwijs.

Bekijk profiel

Zoek in de website