Een gemeenschappelijke basis voor effectieve instructie: EDI, ADI of IGDI?
De kwaliteit van een les wordt grotendeels bepaald door het geven van effectieve instructie. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat lessen die volgens het Directe Instructiemodel gegeven worden een positief effect kunnen hebben op de leerresultaten van leerlingen, in het bijzonder bij leerlingen met een leerachterstand.1 Door leerstof stapsgewijs aan te bieden, helder uit te leggen, voor te doen, te oefenen en regelmatig te controleren of leerlingen de stof begrijpen, krijgen zij een stevige basis om nieuwe kennis en vaardigheden te ontwikkelen. Er zijn meerdere varianten van het Directe Instructiemodel: ADI, EDI en IGDI, met elk hun eigen accenten. Wat houden deze modellen in en welk model zet je wanneer in?
ADI: van instructie naar actief leren
ADI staat voor Activerende Directe Instructie. In dit model7 staat de docent centraal en ligt de focus op het activeren van leerlingen. De docent draagt de informatie over, brengt structuur aan en activeert leerlingen: hij stimuleert hen tot het nemen van eigen initiatieven. Het gaat om het actief construeren van kennis, waarbij het aansluiten op bestaande kennis en daardoor beter onthouden van nieuwe kennis uitgangspunt is.
Het ADI-model bestaat uit zeven fasen:
-
Terugblik een link leggen met eerdere lessen en voorkennis.
-
Oriëntatie het benoemen van het ‘wat’ (lesprogramma) en het ‘waarom’ (lesdoel).
-
Uitleg het geven van een inhoudelijke uitleg en werkinstructie volgens de complete instructie.
-
Begeleide inoefening het oefenen van aangeboden kennis en vaardigheden onder begeleiding van de docent.
-
Zelfstandige verwerking het zelfstandig (in duo’s of groepjes) aan de slag gaan met het verwerken van de lesstof.
-
Evaluatiefase het reflecteren op de les qua inhoud en proces: wat hebben we geleerd? Hoe is de les verlopen?
-
Terug- en vooruitblik het kort samenvatten van de les en het vooruitblikken naar de volgende les.
In al deze fasen ligt de nadruk op het activeren van leerlingen met kleine of grotere werkvormen, tijdens het zelfstandig of samenwerken. Het hanteren van de complete instructie (wat, hoe, hoelang, hulp, opbrengst, wat doen als eerder klaar) is hierbij essentieel. Over het activeren van leerlingen kan je meer lezen op onze themapagina Activerende didactiek.
EDI: eerst begrijpen, dan zelfstandig aan de slag
EDI staat voor Expliciete Directe Instructie4. Het is een gestructureerd instructiemodel waarbij de docent leerlingen stap voor stap nieuwe kennis en vaardigheden aanleert. De nadruk ligt op heldere leerdoelen, duidelijke uitleg, voordoen, begeleid oefenen en voortdurend controleren of leerlingen de lesstof begrijpen.
Het meest kenmerkende verschil met de andere modellen is de zogenaamde kleine lesafsluiting voordat de leerlingen zelfstandig aan het werk gaan9. De belangrijkste reden hiervoor is dat dan al gecontroleerd wordt of de leerdoelen behaald zijn en fouten bij het inslijpen tijdens de zelfstandige verwerking worden voorkomen. Regelmatige controle van begrip staat dan ook centraal.
IGDI: gezamenlijke instructie en afstemmen op verschillen
IGDI staat voor Interactieve Gedifferentieerde Directe Instructie. Dit model5 legt de nadruk op differentiatie in de instructie, waarbij ook interactie en samenwerkend leren een belangrijke rol spelen.
Binnen de lesstructuur geeft de docent op bepaalde momenten instructie. Deze instructiefases zijn bij uitstek geschikt om te differentiëren. De docent kan bijvoorbeeld bepaalde leerlingen een verkorte instructie geven, terwijl andere leerlingen de volledige instructie krijgen. Ook kan de docent differentiëren bij de begeleide inoefening: sommige leerlingen krijgen meer begeleide inoefening dan andere leerlingen (dit wordt ook wel verlengde instructie genoemd).
Het IGDI-model kun je zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs goed toepassen. Je kunt dit aanvullen met vormen van differentiatie in verwerking en/of leertijd. Meer weten? Lees onze themapagina over differentiëren.
Wanneer gebruik je welk instructiemodel?
EDI is heel goed bruikbaar wanneer je iets voor de eerste keer uitlegt. Ook wanneer er meerdere wat zwakkere leerlingen in de groep zitten, waarvoor een expliciete instructie nodig is, is de inzet van EDI een slimme keuze.
Sterkere leerlingen kunnen echter vaak sneller dan andere leerlingen zelfstandig met de lesstof bezig zijn. In dat geval is ADI een betere keuze: het model waarbij leerlingen de lesstof al eerder in de les actief gaan verwerken en zij in interactie met de docent de verschillende lesfasen doorlopen.
Het IGDI-model is aan te raden wanneer er grote verschillen tussen de leerlingen zijn, dus wanneer je wilt of moet differentiëren. Bij de inzet van dit model ligt de nadruk op de interactie tussen docent en leerlingen tijdens de instructie en de begeleide inoefening.
Combinaties mogelijk
Ieder model heeft dus specifieke kenmerken. Het goede nieuws is dat combinaties ook goed mogelijk zijn en je dus niet altijd een keuze hoeft te maken. Sterker nog, door deze modellen te combineren, wordt je instructie en les nog effectiever, voor álle leerlingen.
Denk bijvoorbeeld aan een les waarin de zwakkere leerlingen expliciete instructie krijgen via EDI. Je checkt dan in de kleine lesafsluiting of zij meer zelfstandig en actief verder kunnen. De sterkere leerlingen geef je parallel via de IGDI-aanpak een kortere instructie. Zij verwerken vervolgens de lesstof actief en zelfstandig op basis van een complete instructie. Kortom, gebruik die aanpak die past bij het type leerling en de situatie.
Bij CPS hebben we veel ervaring met zelf lesgeven en met observeren van lessen volgens deze modellen. We begeleiden al jaren docenten uit verschillende onderwijstypen hierbij. Ook helpen we scholen uit het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs bij het implementeren van een eenduidig instructiemodel. Wil je meer weten over het gebruik van deze modellen, neem dan contact met ons op.
Gebruikte bronnen
- Adams, G. L., & Engelmann, S. (1996). Research on Direct Instruction: 25 years beyond DISTAR. Educational Achievement Systems.
- Berben, M. (2026): Differentiëren is te leren, afstemmen op verschillen in het vo en mbo. CPS
- Hattie, J. (2009). Visible Learning: A synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement. Routledge.
- Hollingsworth, J., & Ybarra, S. (2020). Expliciete Directe Instructie 2.0: Tips en technieken voor een goede les (M. Schmeier, Vert.) (13e druk). Pica.
- Houtveen, A. A. M., Mijs, T. J. E., Vernooy, K., Van de Grift, W. J. C. M., & Koekebacker, E. (2003). Risicoleerlingen bij technisch lezen: Beschrijving en evaluatie van het project ‘Beginnend lezen en Omgaan met Verschillen’. ICO (UU FSS).
- Houtveen, T., Koekebacker, E., Mijs, D., & Vernooy, K. (2005). Succesvolle aanpak van risicoleerlingen: Wat kan de school doen? Garant.
- Leenders, Y., Naafs, F., & Van den Oord, I. (2014). Effectieve instructie: Leren lesgeven met het activerende directe instructiemodel (8e druk). CPS Uitgeverij.
- Stockard, J., Wood, T. W., Coughlin, C., & Rasplica Khoury, C. (2018). The effectiveness of direct instruction curricula: A meta-analysis of a half century of research. Review of Educational Research, 88(4), 479-507. doi:10.3102/0034654317751919 (Original work published 2018).
- Van der Vegt, A. L. (2025). Het inzetten van expliciete instructie. Onderwijskennis.nl. Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Geraadpleegd op 1 november 2025, van www.onderwijskennis.nl/node/689
- Veenman, S., Denessen, E., Van den Oord, I., & Naafs, F. (2003). Direct and activating instruction: Evaluation of a preservice course. The Journal of Experimental Education, 71(3), 197–225. doi:10.1080/00220970309602063
https://wij-leren.nl/expliciete-directe-instructie-edi.php
https://www.scienceguide.nl/2020/06/expliciete-directe-instructie-is-minder-effectief-dan-het-lijkt/
https://www.nro.nl/sites/nro/files/migrate/266-antwoord-directe-instructie.pdf