Reflectie op De Staat van het Onderwijs 2026: ruimte voor onderwijskundig leiderschap
Jaarlijks overhandigt de Inspectie van het Onderwijs het rapport De Staat van het Onderwijs aan de minister van OCW. Daarbij wordt stilgestaan bij onderwijskwaliteit en wat er speelt in het Nederlandse onderwijsveld. Wat gaat goed, waar maken we ons zorgen over en wat vraagt nu echt onze aandacht? Vorig jaar lag de nadruk sterk op de basisvaardigheden en kansengelijkheid. Die thema’s zijn er nog steeds. Maar dit jaar valt nog iets anders op: de rol van de schoolleider als onderwijskundig leider krijgt een veel nadrukkelijkere plek.
Leiderschap en samenwerken
De Inspectie beschrijft de schoolleider als degene die richting geeft, prioriteiten bewaakt en de voorwaarden creëert voor goed onderwijs. Tegelijkertijd blijkt dat juist die aspecten onder druk staan. De dagelijkse praktijk vraagt veel van de schoolleiding en niet altijd blijft er voldoende tijd over voor het onderwijskundig leiderschap dat zo hard nodig is. Eén derde van de schoolleiders komt niet aan onderwijskundige taken toe. Daarnaast, en misschien wel daardoor, is er sprake van een fors verloop, wat de continuïteit niet ten goede komt.
De boodschap is duidelijk. Als we de kwaliteit van het onderwijs willen versterken, moeten schoolleiders vanuit het schoolbestuur de gelegenheid krijgen om hun rol goed te vervullen, zodat zij op hun beurt de ruimte kunnen geven aan leraren en onderwijsondersteunend personeel om duurzaam te werken aan datgene wat er echt toe doet: een betekenisvol en kansrijk curriculum. Minder regeldruk, heldere keuzes en aandacht voor teamontwikkeling worden dan ook als essentieel benoemd.
Het best denkbare onderwijs op elke plek in Nederland
Wat in het gehele rapport steeds weer terugkomt, is dat ons onderwijs als hoogste doel heeft dat leerlingen en studenten mee moeten kunnen doen in onze samenleving. Op dit moment is het echter zo dat tussen de verschillende scholen nog te grote verschillen bestaan in de kansen voor leerlingen.
Nog altijd bepaalt de regio waar een kind opgroeit, te vaak welke kansen het krijgt. Er kan aan verschillende knoppen worden gedraaid om deze kansen te vergroten en te benutten. Denk hierbij aan veiligheid rondom leren en ontwikkelen, passend onderwijs en hoge verwachtingen.
Minister van Onderwijs Letschert benoemde bij de overhandiging van De Staat van het Onderwijs bovendien dat het van belang is dat ook in de krimpregio’s en buiten de randstad onderwijs blijft bestaan. “Als onderwijs uit de regio’s vertrekt, vertrekt er heel veel meer.”
Basisvaardigheden
Al een aantal jaar vraagt de inspectie aandacht voor de basisvaardigheden. De scholen voelen de urgentie om het niveau van de basisvaardigheden te verhogen, maar helaas vertalen de inspanningen op het gebied van taalvaardigheid, rekenen en burgerschap zich nog niet naar zichtbare resultaten, stelt de inspectie. In het rapport komt echter een genuanceerder beeld naar voren.
Van stabiliteit naar kwaliteit: meer afstemming op de leerlingenpopulatie
In het primair onderwijs blijven de taal- en rekenvaardigheden resultaten stabiel en liggen ze rond het niveau van vóór corona. Dat is positief. Tegelijkertijd roept het de vraag op hoe sterk dat niveau eigenlijk was. ‘Stabiliteit’ betekent niet dat het primair onderwijs op de handen moet gaan zitten. Er liggen nog voldoende uitdagingen als het gaat om rekenen en taal. Zo kreeg 18% van de basisscholen een herstelopdracht voor taal, met als voornaamste aandachtspunt het gebrek aan afstemming op de leerlingenpopulatie.
Aandacht voor meertaligheid
Elders in het rapport is te lezen dat slechts een derde van de po-leraren en een kwart van de vo-leraren zich voorbereid voelt op het lesgeven aan meertalige leerlingen. Professionalisering in het lesgeven aan meertalige leerlingen en aandacht voor het benutten van taalvariëteiten is van belang, omdat het onderwijs aan meertalige leerlingen om een gerichte aanpak vraagt.
Dalende prestaties leesvaardigheid en woordenschat
In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is in alle schoolsoorten nog steeds sprake van een voortdurende en omvangrijke daling van de prestaties op leesvaardigheid en woordenschat ten opzichte van de periode voor corona. Ook rekenen-wiskunde laat een negatieve ontwikkeling zien sinds die tijd, vooral in het vmbo. Echter, bij rekenen-wiskunde is vooral in het vwo enige verbetering te zien.
Aanpassing referentieniveaus
In het mbo is de taalvaardigheid van een grote groep studenten onvoldoende, wat gevolgen heeft voor hun verdere loopbaan. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat er beperkt zicht is op de referentieniveaus in het v(s)o en mbo en wordt de urgentie benadrukt om op basis van de nieuwe kerndoelen ook de referentieniveaus van een nieuwe basis te voorzien en van een passend monitorinstrument.
Vier aanbevelingen van de Inspectie
- Ook dit jaar staan taal, rekenen en dus burgerschap dus centraal. De Inspectie blijft aanbevelen om aandacht te besteden aan de taalvaardigheid van leerlingen en studenten en ziet goede aanzetten waar het gaat om taalbewust lesgeven en geïntegreerd taalonderwijs.
- Specifiek wordt de dalende trend van mondelinge taalvaardigheid genoemd in de Staat van het Onderwijs. Scholen hebben geen goed zicht op de prestaties van leerlingen en evenmin op de kwaliteit van het onderwijs in mondelinge taal. Het rapport benoemt expliciet dat het een goed moment is voor scholen om het aanbod mondelinge taal onder de loep te nemen en zo nodig te versterken.
- Daarnaast wordt concreet als tip gegeven om bijvoorbeeld schoolbreed een half uur te lezen. Voor vmbo-b/k wordt specifiek aangeraden om naast expliciete aandacht voor taalonderwijs ook het accent te leggen op rekenen-wiskunde.
- De meeste herstelopdrachten in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs worden gegeven op burgerschap. De opdracht vanuit de inspectie is dat het burgerschapsonderwijs samenhangend, doelgericht en zichtbaar is. Het zijn de drie pijlers die in de gehele curriculumvernieuwing centraal staan.
Stimulerend toezicht op digitale geletterdheid
Volgend jaar wil de inspectie meer gaan publiceren over digitale geletterdheid. Ook dit is een basisvaardigheid, al heeft deze de afgelopen jaren minder aandacht gekregen in de onderzoeksrapporten van de inspectie. In 2027 krijgt echter ook digitale geletterdheid een plek in het toezichtkader voor het funderend onderwijs. Het gaat hier nog niet om handhaving, maar om stimulerend toezicht.
Onder de oppervlakte: organisatie en samenhang
Wat deze Staat opnieuw zichtbaar maakt, is dat de uitdagingen niet alleen in de inhoud zitten. Ze hebben ook te maken met hoe het onderwijs georganiseerd is.
Veel scholen hebben moeite met kwaliteitszorg. Het systematisch werken aan verbetering lukt niet altijd. Ook het afstemmen van onderwijs op verschillen tussen leerlingen blijft lastig. Daarnaast zien we dat herstel na een onvoldoende beoordeling vaak langer duurt dan gewenst. Dit zijn geen losse problemen. Ze hangen met elkaar samen en vragen om een consistente aanpak binnen de school.
Op scholen waar het lukt om de kwaliteit vast te houden en te verbeteren, zien we vaak drie dezelfde kenmerken: een duidelijke koers, samenhang in het curriculum en een professionele cultuur waarin teams gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. Dit ontstaat niet vanzelf. Het vraagt om gericht werken over meerdere jaren, met aandacht voor zowel inhoud als samenwerking.
Nieuwe kerndoelen
Natuurlijk blikt De Staat van het Onderwijs impliciet en expliciet vooruit naar het vernieuwde curriculum. De nieuwe kerndoelen bieden scholen de kans om hun onderwijs tegen het licht te houden, en binnen het lesprogramma voor meer samenhang en gerichtheid te zorgen.
Vanaf het schooljaar ‘26/’27 gaan de functionele kerndoelen Nederlands, rekenen-wiskunde en Fries in, het schooljaar erna die van alle overige vakken. Vanaf 2031 start de inspectie het handhavend toezicht, tot die tijd houdt zij stimulerend toezicht en probeert zij scholen zo goed mogelijk te informeren en te bevragen.
Tot slot
De vertaling naar de praktijk vraagt om keuzes op schoolniveau, om gesprekken in de teams en om een doordachte aanpak die past bij de context van de school. Wat De Staat van het Onderwijs vooral duidelijk maakt, is dat duurzame verbetering begint bij schoolteams die samen werken aan goed onderwijs. En bij schoolleiders die daarin richting geven. Met tijd, focus en consistentie is er verbetering mogelijk. Alida Oppers, inspecteur-generaal van het Onderwijs, wenst het onderwijs dan ook moed en volharding toe.