Let op je woordenSCHAT!

Let op je woordenSCHAT!

Het woord ‘schat’ zit niet voor niks in ‘woordenschat’. Woorden geven rijkdom. Ze maken dat je kunt lezen, schrijven en spreken, maar ook denken en leren. Hoe rijker je woordenschat, des te makkelijker kun je kennis verwerven en communiceren. Daarmee hebben leerlingen met een grotere woordenschat betere kansen in de maatschappij. En er zijn grote verschillen: sommige volwassenen kennen maar 17.000 woorden en anderen 50.000*. Door thuis op school en de rest van hun leven veel woorden te leren, krijgen kinderen dus betere kansen. 

Hoe merk je een beperkte woordenschat?

Op school ervaar je vaak vooral indirect dat de woordenschat van veel leerlingen beperkt is: ze hebben moeite om teksten en vragen te begrijpen, zijn niet in staat correcte antwoorden te formuleren en kennen met regelmaat de Nederlandse vertaling van een buitenlands woord niet. Dit geldt voor basiswoorden en vaktaalwoorden, maar zeker ook voor schooltaal zoals signaalwoorden en instructiewerkwoorden. En ook bijwoorden weten veel jongeren nauwelijks te gebruiken. Daardoor zijn ze onvoldoende in staat sfeer of nuance aan te brengen. 

Relevant, betekenisvol en herhaling

Het aanleren van een rijke woordenschat is dus essentieel voor de ontwikkeling van kinderen. Maar domweg bij Nederlands lijstjes met woorden en betekenissen leren werkt niet. Leerlingen vinden dat vreselijk en na de toets zijn ze bovendien alles snel vergeten. Om woorden goed te kunnen leren, moeten ze relevant en betekenisvol zijn voor degene die ze leert. De leerling moet begrijpen in welke context je een woord gebruikt en er vaak mee geconfronteerd worden en mee oefenen.  

Rol voor alle docenten

Aan goed woordenschatonderwijs kunnen en moeten álle docenten een bijdrage leveren, niet alleen die van het vak Nederlands. Zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Samen kunnen zij zorgen voor een doorgaande lijn in het onderwijs. Het is ook van belang dat leraren model staan, dan ze zelf rijke taal bezigen, zodat leerlingen horen en zien hoe dat moet. En demonstreer ook wat je doet als je een woord niet kent en geef leerlingen feedback op hoe zij met nieuwe woorden omgaan. 

Drie pijlers

Goed woordenschatonderwijs leunt op drie pijlers:

  1. woorden leren en gebruiken
  2. woordleerstrategieën leren
  3. woordbewustzijn en -eigenaarschap ontwikkelen 

1. Woorden leren en gebruiken

Bepaal eerst zorgvuldig welke woorden van belang zijn om te leren. Niet te veel woorden, want herhaling is noodzakelijk. Leg nieuwe woorden concreet en specifiek uit. Zorg voor een duidelijke en relevante context en probeer daarbij aan te sluiten bij de leefwereld van de leerlingen. Verbind onbekende woorden met bekende en laat de leerlingen de nieuwe woorden veelvuldig gebruiken terwijl je ze zelf ook in allerlei contexten toepast. 

Associëren, synoniem en tegenstelling

Laat leerlingen bijvoorbeeld vrij associëren bij een nieuw woord dat je net hebt uitgelegd: waar denk je aan? Wat zie/hoor/ruik/proef je bij dit woord? Hoe schrijf je het? Hoe spreek je het uit? Heeft het meerdere betekenissen en zijn die afhankelijk van de context? Het woord relatie heeft bijvoorbeeld een hele andere betekenis in een roman dan in een wiskunde-opgave. Wat is een synoniem en een tegenstelling van het woord? 

2. Woordleerstrategieën

Wat als je een woord niet kent? Leerlingen hebben dan vaak de neiging om op te geven. Ze durven soms ook niet toe te geven dat ze een woord niet kennen. Leer ze manieren om de betekenis te achterhalen. Door de woordstructuur te analyseren en de context te gebruiken bijvoorbeeld. Breng ze bij hoe ze hulpbronnen inschakelen zoals een (online) woordenboek. Leer ze daarbij controleren of een gevonden betekenis de juiste is. 

3. Woordbewustzijn en -eigenaarschap

Taalsterke leerlingen zijn zich ervan bewust dat zij een woord niet kennen en zijn nieuwsgierig naar de betekenis. Taalarme leerlingen kennen vaak zo veel woorden niet, dat het ze niet meer opvalt. Ze gaan daarom ook niet actief op zoek naar de betekenis. Door dit grote verschil leren taalrijke leerlingen steeds meer woorden terwijl taalarme leerlingen nauwelijks nieuwe woorden aan hun woordenschat toevoegen. Een belangrijke taak is hier dus weggelegd voor het onderwijs: leerlingen bewust maken van hun woordenkennis en eigenaar laten zijn van het woorden leren. Maar hoe? 

Wees alert op moeilijke en onbekende woorden en leg ze uit. Dat kan de hele dag door. Voor zowel schooltaal- als vaktaalwoorden. Zorg voor rijke taal in je lessen, vereenvoudig de taal uit de lesstof niet, maar gebruik deze juist om nieuwe woorden aan te leren. Laat leerlingen veel lezen en lees zelf ook voor. Gebruik geleerde woorden steeds opnieuw, ook in andere context. In de herhaling en het gebruik ervan zit de kracht. Twee concrete werkvormen: 

Mentimeter

Moeilijke tekst? Laat leerlingen in Mentimeter invullen welke woorden ze niet kennen. Dan zien ze meteen dat ze niet de enige zijn. Leg de vijf meest ingevulde woorden uit en laat ze de tekst opnieuw lezen. Begrijpen ze nu zelf al meer woorden en meer van de tekst? Herhaal zo vaak als nodig is. 

Venndiagram

Laat leerlingen in tweetallen een venndiagram maken van de woorden die ze niet kennen in een tekst. Ze leggen vervolgens elkaar woorden uit de die de ander niet kent. De woorden die hun allebei onbekend zijn, zoeken ze op en daarvan maken ze een verhaal of andere opdracht die ze de rest van de klas voorleggen. Anderen leren hier zo ook weer van. 

Meer weten?

CPS heeft diverse mogelijkheden om woordenschatonderwijs verder te verbeteren. Bijvoorbeeld het boek Woordenschatonderwijs, meer dan woorden leren. Naast het boek biedt CPS diverse trainingen waarin woordenschat een belangrijk onderdeel vormt. Zie hieronder. 


*www.slo.nl

Over de auteur

Els Loman 2022.jpg

Els Loman

Els Loman is adviseur, trainer en coach bij CPS. Haar expertise is kwaliteit onderwijs, taalbeleid & schoolontwikkeling vo, (vreemde) taaldidactiek, Taal, brein en leren en leercoach.

Bekijk profiel

Zoek in de website